Hilde Geelen - Dochters van Eva. 26 januari – 9 maart 2008
Inleiding door Prof. Erik Thoen bij de opening van de tentoonstelling op 25 januari 2008.
Beste kunstvrienden,
Vandaag zijn we hier samen om werk van kunstenares Hilde Geelen te bekijken en te beleven en de tentoonstelling van dat werk in te luiden.
Ze werd geboren in 1960 in Limburg waar ze haar jeugd doorbracht in Neerpelt. Sinds lang woont ze echter in het Gentse, meer bepaald in Wetteren. Hilde is al lang bekend als flamencodanseres en -zangeres en -lerares. Ze is ondermeer lid van de niet onbekende Belgische band die wereldmuziek brengt: Esta Loco.
Met haar slanke lichaam heeft ze vele mensen dansend gefascineerd en dat doet ze nog steeds.
Vandaag fascineert ze ons echter met verf. Want sinds lange tijd schildert Hilde Geelen ook. Ze volgde kunstacademie in Hasselt en aan Sint-Lucas te Gent. Alleen sporadisch komt ze met haar werk naar buiten. Misschien, omdat ze dan te veel van zichzelf bloot geeft, zo heb ik de indruk. Want hoewel ze het podium niet schuwt leeft ze vrij teruggetrokken en geeft ze haar diepste gevoelens liever prijs in haar kunst dan aan de buitenwereld.
Immers, als we vandaag een selectie zien van haar werk, dan zien we ook een deel van het « zijn » van de kunstenares zelf. En mevrouw Geelen is een zeer speciale vrouw -speciaal in alle betekenissen, dus is haar werk dat ook. Ik ken geen vrouw die zo echt en zo levenskrachtig is als zij, dus is haar werk dat ook.
Ik ken de schilderes al bijna 12 jaar en altijd weer verwondert ze me. Als ik denk haar te kennen, verrast ze me nog vaak en vergis ik me telkens weer. Dat kan het gevolg zijn van het feit dat ik haar maar sporadisch zie, maar het is, zo vermoed ik, eerder het gevolg van het complexe karakter dat ze heeft. Dat maakt het moeilijk om haar kunst te bespreken want het kan best zijn dat ik me ook in de interpretatie van haar schilderwerk opnieuw vergis. Maar dat is het risico van kunstinterpretatie en maakt het tegelijk zo boeiend omdat je peilt naar de gedachten van de kunstenaar. Want in elke goede kunst ligt een deel van de ziel van de kunstenaar en dat is ook hier zeker het geval.
Mevrouw Geelen is geen vrouw is die aan onze moderne modewereld is gehecht. Ik zou ze bijna bestempelen als het ‘tijdloos’. Dat zie je aan haar uiterlijk, aan haar woning, aan haar spreken, aan alles. Ook haar kunst is tijdloos en vreemd van elke modetendens.
Alles wat haar aanspreekt wordt in haar kunst op een onconventionele en gevoelsmatige wijze verwerkt: van tendensen uit de schilderkunst van de middeleeuwse Vlaamse primitieven, de Indische miniatuurkunst, de wereldkunst uit centraal Amerika, over Leonardo en Modigliani tot de naïeve kunst uit centraal Europa, de romantische schilderkunst uit de negentiende eeuw, het hyperrealisme van de tweede helft van de twintigste eeuw en nog zoveel meer.
Wat direct opvalt is dat het werk zonder meer doorwrocht is en met veel liefdevol geduld gemaakt. Het is zeer in detail geschilderd met olieverf meestal op hout -niet op doek- omdat hout een veel ‘echter’ een veel ‘puurder’ materiaal is dan doek. Soms schildert ze zelfs op gebruiksvoorwerpen zoals dienbladen. Want de schilderes houdt van ‘echt’ en ‘puur’. Die ‘echtheid’ is evenwel niet in tegenstelling met haar zin voor esoterie, magie en mythe, maar daarover vertel ik straks meer. Integendeel, bij haar is het eigenlijk net het omgekeerde. Het is een teken van de ‘doorleefdheid’ van haar werk. Inderdaad, het hout is, zo vertelde ze me geamuseerd,…afkomstig van afgebroken chambrettes uit een jongensinternaat (sommigen onder u kennen ongetwijfeld nog die houten afsluitingen rond de bedden in de slaapzaal). Die jongens zouden ongetwijfeld natte dromen gehad hebben mochten ze geweten hebben dat deze dames op dat hout zouden terecht zijn komen!
Het thema van het werk in deze tentoonstellingsruimte is de vrouw. Niet voor niets werd de tentoonstelling «de dochters van Eva» genoemd. Eva, de oervrouw, de vrouw der vrouwen, de verleidster ook.
Het zijn in de regel mooie geïdealiseerde vrouwen die we op alle werken terugvinden. Het gaat meestal om een vrouwentype met gemeenschappelijke trekken , maar, als je goed kijkt zie je toch dat het vaak telkens een andere vrouw is, een vrouw trouwens die meestal is gebaseerd op een bestaand figuur maar via Hilde’s schildering geïdealiseerd op het hout terecht kwam. Maar , inderdaad, geïdealiseerd lijkt ze steeds en tegelijk is ze, behalve die ander, ook Hilde zelf, zo vermoed ik met vrij grote graad van zekerheid: de geïdealiseerde dromende schilderes die de kijker uitdaagt met haar intense maar ook afstandelijke blik. De slanke vleselijke kunstenares die van op het doek zelfbewust naar je kijkt met en blik die zelfbewuster is dan de hare in het echt en je daarom ook niet volkomen recht in de ogen kijkt.
De vertegenwoordigster ook van de ingehouden zinnelijkheid die zich uit in de geïdealiseerde trekken van de lange nek, het sierlijke gelaat, de strakke neus en de lange haren, de slanke lijn, de slanke ‘pakgrage’ vingers ook. Die sensualiteit is echter geen wulpse overgave aan kijker. Het is het tegendeel van Rubensiaanse naaktheid. Het is ingehouden sensualiteit. Mysterie ook. Ik was niet verwonderd toen ze me vertelde dat ze haar figuren niet alleen vaak geregeld aanpast en bijschildert - zolang ze in haar atelier staan leven ze met haar mee!-, maar ze soms nadien nog meer -letterlijk- aankleedt. Zo bedekte ze soms nadien het decolleté dat ze in eerste instantie te opzichtig meende geschilderd te hebben.
En ja, waarom alleen vrouwen? We zien Eva, maar waar is Adam? Hilde Geelen schildert geen mannen -tenzij zeer uitzonderlijk een man met zeer vrouwelijke trekken-, niet omdat ze niet van mannen houdt, integendeel denk ik, maar omdat haar schilderijen ideële beelden zijn ván en vóór zichzelf en daarin heeft de agressiviteit, ‘machisme’ en seksualiteit van de man geen plaats.
De schilderijen van Hilde Geelen vertellen een magisch- mythisch verhaal. Op één van haar werken wordt de mooie magische vrouwentorso afgebeeld op een achtergrond waar is aangeduid dat het gaat om de “Lady of Shalott”. Dit schilderij is overigens afgebeeld op de affiche van deze tentoonstelling. Ongetwijfeld is ze hier geïnspireerd door het prachtige schilderij met dezelfde naam dat bewaard wordt in London en dat van de hand is van de negentiende eeuwse Engelse schilder uit de Victoriaanse tijd John William Waterhouse (een bekend vertegenwoordiger van het Britse “prerafaëlisme”) . Dit prachtige werk verbeeldt, net als op Geelens werk, eveneens een langharige mythische ranke dame met wijde rokken eveneens, zoals zo vaak bij Hilde het geval is, afgebeeld in de natuur. Hier staat ze recht op een bootje. De Engelse schilder baseerde zich hier op een scène uit een gedicht geschreven in 1832 door de bekende dichter Alfred Tennyson, een gedicht dat hij (ook) “The lady of Shalott” had genoemd.
Het verhaal zelf van de Lady of Shalott zoals het in de poëzie van Tennyson is weergegeven, geeft toch ook wel goed de mythische sfeer weer van de door Hilde geschilderde vrouwenfiguren. Vandaar dat ik er even op in ga. Deze “Lady” is namelijk een figuur uit de Arthurlegende en de legende van de ridders van de ronde tafel die op zoek waren naar de graal. Volgens deze legende was het aan de lady of Shalott (een andere naam voor Elaine van Astolat) verboden om de wereld rechtstreeks in de ogen te kijken. Zij was betoverd en gedoemd om de wereld alleen via een spiegel te bekijken. Verliefd als ze was op de ridder Lancelot die haar liefde niet beantwoordde, bespiedde ze op die wijze jaloers verliefd koppels. Uiteindelijk breekt haar spiegel en ontsnapte ze tijdens een storm met en boot en vaart zingend haar eigen dood tegemoet.
Een dergelijke drama kan ook de vrouwen van Hilde Geelen steeds overkomen hebben want de ijzige sfeer en de schrik voor de toekomst lijkt ook in haar werken aanwezig. Ook de hier tentoongestelde vrouwen van Eva lijken trouwens soms wel via een spiegel naar de wereld te kijken. En ik kan nog verder gaan in de vergelijking met spiegels, want de schilderes heeft me verteld dat ze, voor de weergave van sommige trekken overigens ook zelf een spiegel gebruikte. Die spiegel werd dan ook weer gebruikt door de bekende Mexicaanse schilderes Frida Kahlo waarvoor Hilde veel bewondering heeft., met name toen Kahlo ziek te bed lag met een spiegel boven haar hoofd zodat ze zichzelf kon zien. Om de tijd door te brengen begon ze te tekenen en te schilderen wat ze zag, namelijk zichzelf.
Maar terug naar Hilde’s werk en de vergelijking met de poezie van Tennyson en het schilderwerk van de schilder William Waterhouse. Ook het vroom piëtisme dat zo eigen is aan de prerafaëlistische Britse schilders zoals Waterhouse en zichtbaar is op zijn “Lady of Shalot”, vinden we, zo meen ik te zien, trouwens eveneens terug in het schilderwerk dat we vandaag inhuldigen. Want tot op zekere hoogte heeft het werk inderdaad ook iets sacraal en religieus
Mystiek heeft veelal ook te maken met de dood. Hilde Geelen’s dochters van Eva drukken een dromerige onsterfelijkheid uit. Toch stralen ze tegelijk onmiskenbaar vergankelijkheid uit. Opgevallen is me dat in de schoonheid ook soms al te nadrukkelijk wordt ingezoomd op de uitstekende sleutelbeenderen van de dames in kwestie. Soms is dat zeer erotisch, soms echter ook op het randje van akelig en verwijzend naar de relativiteit en vergankelijkheid van de vrouwelijke schoonheid.
En toch is ook een zekere kilte de schilderijen niet vreemd. Een uitdagende ‘warme’ kilte, een zekere erotische onverschilligheid. Ik las onlangs een mystiek gedicht van de zestiende eeuwse Franse dichter Pierre de Ronsard (vert. Koen Stassijns en Ivo Van Strijtem). Het geeft iets weer van dat aspect van de sfeer die het werk van Geelen oproept:
“ Tedere schoonheid, doodster van mijn leven,
ter plaatse van het hart heb jij een steen.
Je maakt dat ik verkwijn, vel over been,
door een begeerte, vol van lust gedreven.
Je jonge bloed, dat liefde na wil streven,
brak door die ijzigheid van jou niet heen,
Zo schuw en trots, voor wie het hoogste scheen
koud weg te kwijnen, zonder toe te geven.”
Ik had jullie eigenlijk nog graag veel meer gedichten willen voorlezen want schilderkunst en woordkunst zijn verbonden en ik verwonder me telkens weer dat bij tentoonstellingen beide zo weinig gekoppeld worden. Maar laat ik terugkeren naar het werk van de schilderes die vandaag in de kijker staat.
Het magisch-mythisch karakter van het werk komt ook tot uiting in het coloriet dat ze gebruikt. Het grotendeels pastelkeurig coloriet doet me vaak denken aan de Vlaams-primitieven zoals Van Eyck en anderen. De kleuren wekken trouwens ook een zekere somberheid op die niet vreemd is aan de sfeer. Echt optimistisch wordt je er niet van, wel aangezogen en be- en verwonderend geïntrigeerd.
Het kader waarin de dames zijn voorgesteld plaatst ze binnen een verhaal. Dat is vaak een antieke achtergrond met gewelfde ramen zoals op de renaissance schilderijen. Soms is het ook de vaak wilde natuur met dieren die een hoofdrol spelen in het verhaal. Zo voert ze de kijker weg van het heden naar de ideële wereld waarin de schilderes zich verplaatst en waarin ze haar verhaal vertelt. Het verhaal van macht en magie, van onschuld en kracht, van leven en dood, van harde realiteit en vlucht voor het leven zoals misschien blijkt uit de engelenvleugels van een aantal van de geschilderde vrouwen op de voorgrond (want op de voorgrond staan ze altijd). Een verhaal dat je zelf mag en kan invullen wanneer je naar de schilderijen kijkt en dat ik u dan zelf ook verder laat invullen maar dat je tegelijk niet geheel kan en mag vatten. Het blijft mysterie. Het moet mysterie blijven.
Laat ik deze korte inleiding op het werk van Hilde Geelen afsluiten met enkele prachtige verzen van de Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade vertaald door August Willemsen, die hij schreef in 1980 in bewondering van een naakt van de Braziliaanse schilder (Enrico) Bianco . Deze verzen zijn m.i. ook heel goed toepasbaar op het werk van de kunstenares wiens werk we vandaag bewonderen.
(Uit: De liefde, natuurlijk, De Arbeiderspers, 1992 (2006), p. 123).
“Hoe meer ik naar het (vrouwen-)lichaam kijk, hoe meer
ik het in zich bestaan voel, een geheim
en een betekenis voel hebben- teer
labyrint, vreemd aan het vege zijn.
Elk vrouwenlichaam is een ander schriftuur,
en zo verzegeld binnen zijn limieten
dat vergeefs de geest deze textuur
doorvorst: hij krijgt geen toegang tot de mythe.
...
De schilder (hier: de schilderes) slechts weet hoe, hoe en wanneer
het lichaam zich vertoont in zuiverheid
die de ontkenning is van smart en tijd.”
Mensen, geniet van het werk van Hilde Geelen!
Ik dank u.
23 januari 2008
Erik Thoen
Department of Medieval History
Professor and Chair of the Department
Specialised in Rural and Environmental History
Ghent University
Blandijnberg 2
B-9000 Gent
tel +32-9-2644018
e-mail: erik.thoen@UGent.be
www.medievalhistory.ugent.be
www.CORN.UGent.be
www.ecologischegeschiedenis.UGent.be